| De twee grootste Belgische surrealistische schilders, Paul Delvaux en René Magritte, waren niet bepaald vrienden. Zo zei Magritte ooit over zijn collega dat hij 'het surrealisme exploiteert als ware het een spekslagerij'. Beide kunstenaars hebben nochtans meer gemeen dan ze destijds wilden toegeven. Net als Magritte vindt Delvaux zijn definitieve stijl wanneer hij in de jaren dertig het werk van de Italiaanse surrealist Giorgio de Chirico leert kennen. Net als Margritte creëert hij hoogst bevreemdende taferelen met elementen uit de werkelijkheid. En ook Delvaux' schilderijen gaan tegenwoordig voor hallucinante bedragen onder de hamer. Er zijn natuurlijk vele verschillen. Delvaux hanteert een veel koeler kleurenpalet dan Magritte. En in plaats van uit pijpen, bolhoeden en paraplu's bestaat zijn repertoire vooral uit naakte en halfnaakte vrouwen. Doorgaans tegen een achtergrond van treinstations, ruïnevelden of met draperieën gedecoreerde salons. Delvaux' meest typische kenmerk is de onwezenlijke stilte die zijn schilderijen uitstralen. Stil was Delvaux ook over zijn werk. Hij had een hekel aan psychologische verklaringen van zijn oeuvre. Dit heeft Delvaux' biografen er niet van weerhouden de evolutie van zijn werk te psychologiseren. Volgens sommigen begon zijn oeuvre te verwateren nadat hij een einde had gemaakt aan zijn ongelukkige huwelijk en hertrouwde met zijn eerste grote liefde Anne-Marie De Maertelaere. Het zou Delvaux worst wezen. Hij liet zijn museum bouwen in Sint-Idesbald, op de plaats waar hij in 1947 Anne-Marie na zeventien jaar terugzag. Delvaux had nog meer wensen. Alle lampen van honderd watt liet hij uit de tentoonstellingszalen verwijderen. Zestig watt moest volstaan. Zo werd het museum van Paul Delvaux een van de weinige waar je de kunstwerken uitsluitend in schemerlicht kan bekijken.
|